VRT-hoofdredacteur Björn Soenens: Journalistiek moet de miserie overstijgen


BJÖRN SOENENS IS HOOFDREDACTEUR VAN HET VRT-JOURNAAL. ALS AMERIKA-WATCHER MAAKTE HIJ DE DOCUMENTAIRE ‘STEMMEN UIT IOWA’ EN HEEFT HIJ MEERDERE BOEKEN GESCHREVEN. SOENENS HEEFT EEN UITGESPROKEN VISIE OP JOURNALISTIEK: ‘JOURNALISTIEK MOET DE MISERIE OVERSTIJGEN, NIET ALLEEN PROBLEMEN SIGNALEREN MAAR OOK ZOEKEN NAAR OPLOSSINGEN.”

Wat moet een journalist doen om goede verhalen te vinden? 

Leven, een journalist moet leven. Een journalist die hele dagen zegt, “Sorry ik kan je nu niet ontmoeten, ik kan niet afspreken, ik moet gaan werken,” die is fout bezig.
Journalistiek zit in het leven verscholen, verhalen zitten in elke dag, bij de apotheek, op café, op de bloemenmarkt, bij de boekhandel.
De boekhandel die hier vlakbij is, die op zondag boeken verkoopt. “Hoe is het met de verkoop?”
De laatste jaren met de opkomst van die ebooks, ik zeg maar wat.
Uit uw kot komen betekent gewoon je ogen en oren open houden en nieuwsgierig zijn en denken van “zit daar een verhaal in”, en niet zeggen “nu ga ik werken en mijn verhaal komt wel naar mij toe.”
Neen, verhalen komen niet naar jou toe, want dan reken je te veel op de afschrijfmodus, waarvan Alain de Botton zegt “media kijken constant naar elkaar, zij doen dit, dus wij doen dat ook”, waardoor je een bubble creëert waarbij duizenden verhalen onverteld blijven, en soms zit het in ordinaire dingen. Is het openen van een schoonheidssalon in Afghanistan nieuws? In de klassieke betekenis van het woord niet, want is daar iets anders aan? In onze ogen misschien niet, in onze wereld misschien niet, maar voor de Afghaan is dat wel groot nieuws want het betekent dat er een cultuuromslag is. En het zijn die cultuuromslagen die we moeten verslaan in het nieuws, want dat gaat over evoluties, trends die gaande zijn, en het nieuws mist die vaak. We schrijven altijd, “er is vandaag een steen gevallen, er is vandaag een bom ontploft” en daar blijft het dan bij. Het gaat over context, helikopterzicht. Je vliegt over een land en je ziet landbouwers aan het werk, je ziet een land herleven, je ziet heel veel vrachtwagens, wat betekent dat? Wel de economie is misschien aan het herleven, en dat soort verhalen… En reporter moet eigenlijk alleen maar een nieuwsgierig Aagje zijn, iemand die zijn zintuigen gebruikt, die genoeg is opgeleid en verstand genoeg heeft om daar een verhaal van te maken, en durven.

Is wat je opvalt een toetssteen voor een goed verhaal?

Dat hoeft niks uitzonderlijks te zijn. Iedereen heeft een iPhone of een smartphone. “Heb je die app al gezien? –Nee, tof.”
Dat komt nooit in het nieuws, waarom niet?
Misschien moet je er een keer boven gaan en zeggen, “all die apps, dat bestond vroeger niet, wie zit daar eigenlijk achter?
Welke industrie zit daar achter?”
Wel, we hebben dat gebracht in het Journaal, de app-industrie, wat ze betekent in België.
Dat zijn de soort dingen die ik constant in een boekje opschrijf en mijn reporters aanmoedig, elkeen in z’n domein, en daar een verhaal over te maken. Ik vind dat eigenlijk allemaal heel simpel. Als je kleren draagt, een T-shirtje uit de H&M van 5 euro, hoe kan dat nu? Hoe kunnen ze dat maken? Wel, het verhaal van de T-shirts, je kan terug gaan naar T-shirt in de winkel. Made in Turkey, ah, waar in Turkije? We gaan naar Turkije, hoe wordt dat gemaakt? Hoe zijn de lonen van die mensen? Hoe verhoudt zicht dat tot de rest van de wereld, worden die uitgebuit of niet? Hoe zit dat met sociale context, hoe kunnen zij overleven? Een T-shirt, wat begonnen is bij een wit stukje stof is geëindigd bij een totaal verhaal over de wereldeconomie. Zo moet je verhalen vertellen.

 

Het is breken uit het keurslijf van het sérieux van de journalist, wat me als journalist opvalt is niet noodzakelijk…

Of ik houd m’n oogkleppen aan. Wat hier gebeurt in mijn directe omgeving is één ding, maar daar ik zie een stelling, een winkel, ik zie mensen lopen en het is koud. Gewoon een ruimere blik en nieuwsgierig zijn. Dat is de basis voor een journalist, maar velen zijn niet nieuwsgierig. We laten ons daardoor veel gebakken lucht aansmeren. We wachten op een persbericht, kant en klaar, we zijn overwerkt, en dat is handig en we geloven dat, of we gaan er vanuit dat het geloofwaardig is, maar we zeggen niet van “he, klopt dat wel? Is dat wel zo? Ik wil daar het fijne van weten.” Er het fijne van willen weten is de basis van een journalist om te weten wat en hoe.
Als je naar Istanboel gaat, op de Bazaar, je ziet er altijd merkkledij liggen. Dat is allemaal fake, is dat geen verhaal waard? Dat is toch een verhaal waard? Waar komen die T-shirts vandaan die voor een habbekrats op de markt komen? Zijn daar wel controles op? Wat doen die merken daarmee? Ik wil wel eens weten wat merken als Dolce & Gabbana daarvan vinden? Nemen ze daar maatregelen tegen? Allemaal verhalen die nooit verteld worden, die soms wel eens in magazines te vinden zijn. Maar ook dat is nieuws. De definitie van nieuws moet opgerekt worden, moet verruimd worden. Alles is nieuws.

Het zal nog wel even duren voor we er uit zijn. 

Rome wasn’t built in a day, elke dag een stapje. Als je elke dat een steen legt wordt je weg ook lang en begaanbaar. Ik ben zelf zeer ongeduldig van nature, dus je moet nooit grote plannen maken en alles met een big bang willen veranderen, je moet het geleidelijk aan doen, ongemerkt, en voor je het weet heb je een heel nieuw huis. Je begint met een likje verf aan het raam, dan vervang je het raam, dan de deuren. En na een jaar of twee jaar heb je een heel nieuw huis, en niemand heeft het gemerkt, het is niet van de ene dag op de andere gegaan. Het is niet met een blikseminslag geweest, want dan worden mensen onrustig en stort hun wereld in.
Je moet het gevoel creëren bij de mensen die de verandering moeten waarmaken dat ze er zelf ook iets aan hebben en dat ze blij zijn met hun nieuwe huis en dat ze denken: “Ik heb me verbeterd, mijn schoenen zijn gelapt, ze hebben een nieuw zooltje gekregen, dat loopt lekkerder, dat wist ik niet.” In plaats van te zeggen: “Doe die schoenen weg, hier heb je nieuwe schoenen.” Die schoenen knellen dan, en krijg je blaren. Je moet ervoor zorgen dat er eerst nieuwe kousen zijn, dan een zooltje, dan een nieuw bodempje, dan krijg je een comfortabel gevoel en is iedereen mee. Als hoofdredacteur moet je dat voortdurend opvolgen. Je kunt niet een visie formuleren en dan zeggen “doe nu maar.” Je moet dat blijven begeleiden, aanmoedigen, zorgen dat je zelf betrokken bent. Als je belooft dat er iets gaat veranderen, moet je daar ook op toekijken dat het effectief verandert. In de journalistiek is betrokkenheid zeer belangrijk, om je verhaal te willen maken, maar ook vanuit een leiden, om te tonen van “ik wil het samen met jullie and I need your help.”

Veel begint bij een goed verhaal, maar de manier waarop je het verhaal vertelt speelt een even grote rol.

Ook dat is de evidentie zelve. We lezen allemaal romans, we houden allemaal wel eens van een goede film, een goed toneelstuk. Wat zit daar in? Personages, daar begint het al mee. Elk verhaal heeft goede personages nodig. Er zijn nog mensen die verhalen vertellen zonder personages, dat is al de basis. Zoek goede personages. Ook voor het nieuws. Het nieuws is zo geprofessionaliseerd de laatste jaren dat het kapotgemaakt wordt door woordvoerders, PR-bureaus, weet ik veel wat. Stap daar vanaf, maak je eigen verhaal. Je moet technieken uit de kunst toepassen, zoals Alain de Botton zegt, om een goed verhaal te maken.
Storytelling is een vak; een goed personage, een straffe quote die iemand zegt, ik herinner mij zelf een verhaal van iemand die gevochten had in de Eerste Wereldoorlog, die ik interviewde. Dat stuk begon met een man die zei: “Den oorlog, dat vergeet ge niet, dat gaat nooit niet weg niet, ook niet na tachtig jaar.” Baf! Een man met plukjes haar, close gefilmd, hij was 100 jaar, denk ik.

Je moet mensen meteen bij hun nekvel grijpen, en dat doe je alleen maar met echte mensen, echte mensen die iets hebben meegemaakt, mensen die iets beleven, en van daaruit kun je enorm veel vragen van mensen, ook ingewikkelde zaken, uitleggen omdat het vanuit een beleving komt, en iedereen heeft een beleving in zijn leven. Dus dat begint, de techniek van storytelling, dat je moet willen impact hebben. Iedereen weet wat saai is en niet saai. Ik kan er niet bij, ik kan er echt niet bij, dat er mensen zijn die stukken maken en zelf vinden dat het stuk eigenlijk saai is. Ze zijn met een monteur aan het werken, die monteur heeft de verdomde morele plicht om te zeggen: “Je hebt een saai stuk gemaakt, we kunnen dat anders maken door dingen anders te maken in de montage, door met dezelfde ingrediënten de volgorde te veranderen.” Je wil impact. Een goede roman is een roman waar je “baf!” inzit. Een roman over de goelagarchipel die begint met de woorden “Ik wist niet dat de hel zo mooi kon zijn.” Dan denk je, wat is dit, hier wil ik meer van weten. Dat heeft te maken met veel kijken, veel luisteren. Wie veel naar televisie kijkt en naar films kijkt zou eigenlijk automatisch een goede storyteller moeten worden doordat je kijkt en luistert, management by example. “Wat heeft er impact? Ik zal dat ook eens toepassen”, moet je denken. Maar natuurlijk, zo werkt het niet altijd. Ik denk dat we in de toekomst moeten inzetten op voortdurende opleiding. Niet één opleiding per jaar maar voortdurend bijsturen. Ik heb een boek gelezen en dat heet “Talent is overrated”. Ik heb vaak gedacht, het heeft te maken met talent, iemand heeft talent of niet, dat heeft er niks mee te maken. Alles kan aangeleerd worden.

Denk je dat?

Ja, met een basis verstand kan alles aangeleerd worden. Ik ga er vanuit dat reporters allemaal een voldoende grote mate van intelligentie hebben. Maar het gaat erover om te willen beter worden, te willen bijleren, te experimenteren. Ik zeg vaak aan jonge reporters nu: “Doe maar, ik ga je steunen. –Ja maar, is dat niet raar? –Ik heb gezegd dat ik je steun.” Doe eens iets raars in je reportage. Val, sta weer op, en we zullen wel zien wat het beste is. Maar als je niet probeert ga je nooit beter worden, dan ga je altijd in een veilige modus blijven, binnen de loopgraven, je hoofd zal er nooit afgeschoten worden. Maar kom er maar eens uit. Kom in de ring, waag iets, val neer, toen de moed om iets te doen, waardoor je opvalt en mensen zeggen: “Het was misschien niet ideaal maar het deed me wel iets.” Je ziet dat in theater en film ook. Soms vinden mensen een film goed, soms vinden ze hem minder goed, maar als het film is met smoel, die iets geprobeerd heeft, op een andere manier de dingen te vertelen met straf beeld, een onvoorspelbaar personage dat op de huid wordt gezeten. Het gaat altijd over hetzelfde, het moet mensen kunnen raken. Wat voor zin heeft het om een journaal te maken waar mensen niets van onthouden? Als ze twee verhalen onthouden, omdat ze je ziel geraakt hebben, omdat je het gevoel hebt, dat doet mij iets, dan is je opzet geslaagd. Dus mensen moeten meer hun emotionele intelligentie aanspreken en hun artistieke vermogen om een verhaal te vertellen. Journalisten zijn artiesten, dat vind ik echt.

Storytelling is een manier een ervoor te zorgen dat verhalen meer bijblijven? 

Natuurlijk.

En hoe pas je dat toe in ‘Het Journaal’?

soenens en de botton

Björn Soenens en Alain de Botton ©VRT/Canvas

Er komen cijfers binnen: steeds meer jongeren moeten voor hun zieke ouders zorgen. Je kan dat op twee manieren doen. De klassieke betekenis van het nieuws, kort meegeven, statiestiekje, doorlezergewijs met nietszeggend beeld. Of je zegt, we gaan ons best doen, we gaan hard werken en we gaan zoeken naar zo’n jongere die in de middelbare school zit en die voor haar of zijn vader of moeder zorgt. Onlangs hebben we zo iemand gevonden. Een meisje, denk ik, die voor haar zieke vader zorgde die ALS had, een spierziekte, dat verhaal is iedereen bijgebleven. Veel dingen die in het journaal zijn verloren gegaan, dat verhaal is bijgebleven, die vader in zijn bed, die blij was met zijn dochter. Je doet twee dingen op die manier, je verbetert je samenleving met wat je toont, er zijn verdorie mensen van 16, 17 jaar die zo liefhebbend voor hun ouders zorgen. Twee, het zegt iets over de sociale zekerheid, dat het iets is dat niet altijd iets is dat door de staat wordt verleent, dat mensen zelf iets moeten doen. En drie, het toont oplossingen voor een probleem, en dat is een van mijn stokpaardjes, constructieve journalistiek. Dat is journalistiek die miserie overstijgt, die niet alleen problemen signaleert, en de diagnose stelt van -dit is een groot probleem- maar die zoekt naar oplossingen, desnoods in een ander land of in een andere omgeving, waardoor dat je creativiteit toont aan de mensen en moed toont en, drie, waardoor je mensen het gevoel geeft dat de maatschappij niet helemaal rot is. Want als het nieuws beperkt blijft tot wat er allemaal fout loopt in de wereld en alleen maar in die modus zit, dan haken mensen af en krijg je een zure samenleving, een cynische samenleving die niet meer uit zijn pijp komt, niet meer aan hulpverlening doet, die zwartgallig wordt en die desnoods afhaakt en niet meer kijkt naar het nieuws en die geen interesse meer toont. En desinteresse leidt tot een maatschappij die verkruimelt en kapot gaat. Ik weet het, dat zijn allemaal grote woorden, maar ik geloof daar echt in, dat je met de manier waarop je verhalen vertelt een impact probeert te creëren, dat je zoals weer de Botton zegt, politicus bent, aan de polen bouwt, de stad en de wereld beter maakt.

Wij hebben politieke verantwoordelijkheid.

De definite van politiek is eigenlijk, elke maatschappelijke actie, elke actie in de maatschappij beter te maken. En zijn journalisten wereldverbeteraars? Wel, eigenlijk wel. Waarom berichten wij over Oekraïne? Omdat we zo graag dode mensen tonen, of opstandige mensen? Neen, omdat we zeggen, daar loopt iets fout, wat broeit er daar in de samenleving? Wel dat is een oude breuklijn, Europa, Rusland. Rusland is bang, want eigenlijk is dat de kwestie, Rusland is bang om zijn invloed te verliezen. Er zitten ook veel economische belangen achter, Europa komt niet tussen want hun pijpleiding van Rusland loopt niet meer door Oekraïne, ze lopen al rond, via de Baltische staten en de zee en weet ik wat allemaal. Dus daar hangen drie, vier verhalen aan die je kan vertellen. Door inzicht te verschaffen in de wereld maak je de wereld al beter. Dat is ook de taak van het onderwijs, om kritische mensen te maken, mensen die weten waar het om draait. En alleen maar tonen wat er gebeurt, dat vind ik pas sensatie. Sensatie kan je alleen maar overstijgen door historische context, geschiedenis, wat vooraf ging aan de kijker en luisteraars te presenteren. Vandaar dat ik, toen ik aanvat, zei: ik wil dat mensen een beter gevoel krijgen van het nieuws. Dat wordt dan natuurlijk compleet verkeerd geïnterpreteerd. “Ha, hij wil feel good nieuws.” Helemaal niet! Ik wil dat ze zich beter voelen omdat, met een groot woord, de entropie vermindert. Entropie is eigenlijk een principe in de thermodynamica. Je hebt twee temperaturen, 50 graden en 50 graden. Als je die samenvoegt, de droom is dat je 100 graden krijgt, maar natuurlijk niet. Als je twee dingen van 50 graden samendoet en je doet niks, dat neemt af, dat verbrokkelt tot nul graden. Dus dat is eigenlijk de tweede wet van de thermodynamica die zegt dat de energie afneemt. In geschiedenis en sociologie betekent dat dat de chaos toeneemt, de chaos in de wereld is zo groot geworden doordat de wereld zo niet helder in elkaar zit, vroeger had je oost en west, noord en zuid, arm en rijk. Maar alles loopt door elkaar en die complexiteit moeten wij uitleggen. En als we dat uitleggen, gaan mensen een beter gevoel krijgen en niet afhaken en het gevoel hebben dat de wereld wel te snappen is. En dat moet je op een simpele manier doen, en dat is de taal van journalisten door dat te doen met een goed verhaal, met een helder verhaal. Als je het wil hebben over de kloof arm-rijk, dat je het doet met echte mensen, én de statistieken geven, én historische achtergrond, hoe het geëvolueerd is, en dan het verhaal van vandaag. Om een goede taart te bakken weet je ook wat je nodig hebt, wel voor journalistiek moet dat ook zo zijn. Elke dag is het een ander taartje natuurlijk, het is altijd andere inhoud, maar je moet wel weten, en dat is ons vak, wat een goed verhaal is en hoe je dat maakt. Eigenlijk toch simpel he.

Als ik zelf een protret wil maken en iets wil doen rond conservatieve talkshowhosts, dan kan ik daar een heel lastig, moeilijk item over maken en cijfers over gaan opzoeken, dat kan ik doen, voor mijn documentaire heb ik mezelf binnengewerkt in een conservatieve talkshow waar ik iemand volgde die kandidaat sheriff was. Maar door daar zelf binnen te dringen, “Ik vind dat zo raar dat jij mensen klootzakken noemt.”
Die begon daar: “Of course, if they are scumbags, you ought to say they are scumbags, you have to say it.
–Ja maar, dat ik toch het feest van de democratie, verkiezingen?
–Democratie? We hebben geen democratie!”
Ja, dat is ook een manier van storytelling, provoceren. Dingen zeggen waar je mensen mee uit je tent lokt.

Ik heb ooit Herman Brood geïnterviewd, hij had een tentoonstelling in het cultureel centrum De Luchtbal in Antwerpen, daar hingen zijn schilderijen. En wat is de klassieke manier van doen? Beeldjes maken van de schilderijtjes, Herman Brood was daar, paar vraagjes stellen over de tentoonstelling, de schilderijen, klaar is Kees, beeldje, interviewtje, beeldje, interviewtje, gedaan. Ik zag hem, “Ik zou graag hebben dat je me rondleidt,” en we hebben hem gevolgd. Hij kwam langs z’n schilderijen en ik zeg, “Wat is dat hier? –Dit is de essentie, dit is de essentie.” Dat was dan de vagina van een vrouw. “Hoezo de essentie? –Daar komt alle leven vandaan toch?” En hij komt aan dat schilderij en ik zeg, “Oei, u raakt uw schilderijen aan, mag dat wel?” Hij tast in z’n binnenzak, haalt daar een spuitbus boven, tssssjjjjjj [doet alsof hij met spuitbus spuit]. “Het zijn mijn schilderijen.” Ik zeg, “Ze zijn verkocht. –Het zijn mijn doeken!” Dat was een hilarisch item. En ik zeg hem, “Herman Brood in een museum, ik vind dat zo conservatief voor een punker zoals jij. –Vind je dat, vind je dat?” Waardoor dat item een enorme impact had. Veel meer dan wanneer ik een klassiek stukje had gemaakt, “Herman Brood heeft een tentoonstelling, en de schilderijen gaan daarover en daarover. En Herman Brood vind het heel fijn om tentoon te stellen.” Dus, ja provoceren kan nooit kwaad.

[denkt na]

Ook vriendelijk zijn, het kan nooit kwaad. Je moet enorme veel psychologische kracht hebben als journalist om je in te leven. Als je bij een boer gaat die bang is belachelijk gemaakt te worden, en je portretteert die, ga je daar binnen, you behave like one of them, en moet je een warme persoonlijkheid tonen, en dan gaan ze veel meer vertellen. En dan gaan ze het gevoel hebben, “Die man is echt geïnteresseerd in mijn verhaal.” Dus bij storytelling begint het bij het draaien al, dat je als journalist genuine interest moet hebben, waarachtige interesse in wat je gesprekspartner vertelt.

Het komt er weer op neer dat je een nieuwsgierig Aagje moet zijn.

En een mens. Je moet je niet gedragen als journalist. “En u bent dus boer. En wat kweekt u zo allemaal?” Zo van, “Wat is dat, ik ken dat niet? –Ah, sojabonen. –Dat ken ik niet goed. Ah en dat zijn precies bolletjes.” Hij pakt dat bolletje en krak, “Ha, het krakt, dat wilt zeggen, het is te oogsten. Als dat niet krakt, dan is dat nog… Want er is hier niet veel vocht. Het is hier droog geweest, ja een rampseizoen.” We kijken naar de grond, tweede verhaal erbij. Ja, je niet alleen nieuwsgierig tonen, maar een mens zijn, zoals op een familiefeest. De nonkel zal het meest vertellen als je zegt: “Nonkel, vertel nog een keer, ik zou dat graag nog eens weten.” Mensen het gevoel geven, het is veilig om je verhaal te vertellen, vandaar dat ik een hard politiek interview het ook veel beter is om rustig iemand te benaderen dan iemand als een inquisiteur te benaderen. Ik heb ooit een protret gemaakt van iemand in een

boek soenensmoordbrigade. En die zei: “Mensen hebben een fout beeld van hoe wij mensen op de rooster leggen, ze denken dat we er invliegen: ‘Je hebt hem vermoord!’ Nee, ‘Potje koffie hebben, sigaretje hebben? Vertel eens, het gaat niet goed, he?'” Frank Van Saelen was dat, hoofd van de moordbrigade in Antwerpen. En zo kreeg hij bekentenissen zonder dat hij hard hoefde te zijn. Dus, het zijn bijna technieken die in alle domeinen van het leven kunnen worden toegepast. Een journalist moet eigenlijk een speurneus zijn, een speurneus die moordenaars tot bekentenissen kan dwingen zonder dat ie inquisitietechnieken toepast. En zo ga je de beste verhalen hebben. Als ik mij geïnteresseerd toon, “Vertel eens over dat buurtje waar jij woont, dat lijkt me zo tof.” Je voelt interesse bij mij.

Ik zal meer vertellen dan ik eigenlijk wil.

Dat is het. Storytelling heeft een paar aspecten. De manier waarop je het doet, waarop je het bedenkt vooraf. Het doen zelf, je bent bij voorkeur een sympathieke knul, als journalist. En drie, de manier waarop je het verwerkt, de techniciteit van dingen. Hoe maak ik mijn materiaal impactvoller door het in een montage te steken, met muzikale accenten of niet. Onlangs heeft Machteld Libert in de gevangenis gezeten, er is kritiek op gekomen, maar rechters, politiemensen die in dat stuk zelf zeggen, “Je kijkt totaal anders naar een gevangenis, nu pas besef ik wat dat is, je vrijheid kwijt zijn.” De bevolking ook, die denkt “Het gevang, een herenleven,” dat blijkt niet zo te zijn. Dus dat zegt tien keer meer dan om het even welke studie die door criminologische afdeling wordt gemaakt. Beleving, inleving, dat is wat het leven boeiend. Machteld die de moed heeft gehad om ‘s morgens wakker te worden, “Oh ik heb slecht geslapen, elk uur dat licht aan en uit, verschrikkelijk. Ik heb zo koud gehad.” Allemaal dingen waar het nooit over gaat in het nieuws. “De gevangenisbevolking is met 10% toegenomen.”

De bevolking is in opstand gekomen omdat ze niet op hun game console mogen spelen, is de cynische reactie.

Juist, beleef mee en dan ga je meer begrip hebben. Ze noemen mij soms de kapelaan, de preker. Maar ik vind dat je moet preken om je visie door te drukken. En de visie is zo simpel. Als je de beleving voelt en ziet, dat is de enige manier om aan journalistiek te doen, zoals Joris Luyendijk zegt, wij zijn antropologen van een bepaald domein. Als hij zich onderdompelt in de wereld van de bankiers, dan moet hij daar wel tussen zitten, vertrouwen winnen, anders… Als je komt met een zware microfoon en je duwt die onder de neus, dat is agressief. Vandaar dat je materiaal ook van belang is. Als je een personage volgt, prikt het, het is veel minder agressief, een kleine camera is veel minder agressief. Dat zijn ook dingen die intimidatie voorkomen en het verhaal beter maken, omdat het niet overkomt als “ze zijn hier een verhaal over mij aan het maken.” Als iemand een prikkertje heeft, een landbouwer op zijn land, bijvoorbeeld, en hij wil vertellen over de misoogst, als ik daar constant met een microfoon achter loop, dat is iets anders dan dat hij spontaan vertelt. Op de duur is hij zich daar niet meer bewust van. Alles is psychologie, ook in de journalistiek. Als ik een slachtoffer interview voor seksueel misbruik, wat ik ooit heb moeten doen, en ik kom binnen, die mensen zijn doodzenuwachtig. Een techniek die ik soms toepaste was dat ik zei dat dringend naar het toilet moest. Dan kregen ze meteen het gevoel, “dit is een mens. Die moet naar het toilet.” Je kan dat manipulatief noemen maar dan is gewoon tonen, “Don’t be afraid. I’m only human.” Soms heb ik ook een kleine blaas. Daardoor wordt dat vertrouwen groter en zijn ze al meer op hun gemak, dat een journalist niet een of ander wezen, een buitenaards wezen is uit de nieuwsbubble, waar mensen al gigantisch veel respect voor hebben. Je moet dat proberen zoveel mogelijk te verkleinen, die kloof, met één doel, he, je verhaal beter te maken en meer informatie los te peuteren en los te weken. Dat klinkt misschien wollig maar het is niet wollig, want dat zijn echt technieken. Vandaar dat ik zeg, alles is psychologie. Ook in je montage. Een monteur durft vaak niet tegen een journalist zeggen: “Ik vind dat niet goed. Dat is wel een journalist he, die staat hoger in rang.” Doorbreek de hiërarchische schotten. En ik weet dat het lastig is als hoofdredacteur om te zeggen, “Kom bij mij, je bent veilig, ik ga je steunen.” Je blijft de hoofdredacteur, en mensen zien je nog altijd als de generalissimo met een streep meer. “Is dat wel veilig? Ga ik niet op mijn kop krijgen of zo?” Je gaat niet op je kop krijgen. Ja, nogmaals, alles is psychologie. Storytelling, wie psychologie van z’n personages kan doorgronden, hoe blij die vrouw in Afghanistan is, dat schoonheidssalon kan openen, die glimlach, als je die niet in je montage steekt, dat heb je een professionele fout gemaakt want die glimlach zegt tien keer meer dan je commentaartekst.

Eén van de eerste presidenten van de VS, Benjamin Franklin, zei ooit: ‘If you fail to prepare, you prepare to fail.’

Voorbereiding is zeer belangrijk bij het nadenken. Welk verhaal wil ik vertellen, wat heb ik voor ogen. Maar het is ook su-per-belangrijk, en ik vind dat reporters soms veel te lang op de redactie blijven, ook daar moeten ze het kot uit. Ze moeten uit hun kot komen maar ze moeten ook het kot uit. Niet zitten bellen tot je iemand vind die misschien iets zou zeggen dat past in het kraam van je reportage. Go, go on the street. Om een voorbeeld te geven. Ik heb ooit iets moeten maken over een nieuw asielcentrum dat er ging komen in De Haan, niemand wou iets zeggen. Dan kan je twee dingen doen. “We kunnen daar geen stuk over maken, he.” Ik ben gewoon vertrokken met de auto, ik dacht, “Niemand wil iets zeggen? Dat zullen we nog wel zien.” Ik daar naartoe. De lokale burgemeester was ook de uitbater va een go-cartbedrijfje aan de kust. Catrysse heette die. Ik ben gewoon gaan kloppen aan het burgemeesterskabinet en er kwam iemamd, “We hebben geen tijd!” Knal, de deur dicht. We hebben daar een stuk gemaakt over de zoektocht, tiens, iedereen steekt zich weg. Dan zijn we naar dat centrum geweest, niemand was daar. Dan passeerde en een fietser die zie: “Ah, vluchtelingen, ik vind dat nog niet slecht. Ik heb hier langs deze baan moeten vluchten in de Tweede Wereldoorlog, ik was ook blij dat ze me opvingen in Frankrijk.” Dat is me bijgebleven, he, dat is twintig jaar gelden, waar ik over spreek. Dat is openstaan voor toevallige passanten. Als je op reportage gaat en je hebt afgesproken met een wapenfreak, en plots is zijn vrouw mee. Het eerste wat ik dacht was, “Die vrouw ziet er zo’n zaag uit, die gaat hier heel de boel in de war sturen.” Maar die vrouw bleek vol met heerlijke quotes te zitten, ze hadden nog niet ontbeten. Ik dacht, ze moeten goedgezind worden, ze moeten ontbijten. We lieten ze ontbijten, we hebben ze een prikkertje gegeven, “Ontbijt maar.” We hadden de camera hier opgesteld en zij zaten hier te ontbijten. We hadden daar een programma op zich kunnen maken. Die vrouw was fantastisch. Die begon tegen haar man, ons onderwerp, wapens, ik hoefde hem niet te interviewen. Ze zei, “I hate it when you take your gun to the Walmart.” En dan hij: “You know Walmart is full of nutcases.” Ik begin te lachen. “I hate it when you have your gun on you, even in the hospital, I hate it. –I don’t have it on me.” Je ziet het gewoon hier zitten, de holster zit daar. Hebben we dat zo voorbereid? Neen. Was dat personage voorbereid? Ja. Maar dat tweede personage was niet voorbereid. Als je dan zegt, “Mevrouw, sorry, maar we moeten nu wel dat interview doen,” dan maak je dingen kapot. Of ben je potentieel een schat, de schat van Bianca Castafiori bij wijze van spreken, aan het weggooien. We zaten in een shitty motel, met kakkerlakken, met bedbugs tot en met. The Red carpet Inn. De boer waar we daarna naartoe gingen die lachte ons uit dat we daar zaten. Maar ook daar hebben we een verhaaltje gevonden. Daar zat iemand te Playstationen in een boxershort, bloot vel met een pet omgekeerd, een jongen van 18 jaar. We gaan er naartoe.

 

0002(klik op de foto voor de documentaire)

Die jongen zegt: “I have two kids, I come from Kansas, I come to trim trees. I need work, and it’s shitty here, I’m glad with the basics, and I need the money.” Werkgelegenheid in Amerika in 2012. Voilà. Kort intermezzo, niet voorbereid. Openstaan. This is on our way. Dus ja, voorbereiding is zeer belangrijk, maar de baan opgaan, waar het voor het rapen ligt, is nog belangrijker.

En structuur, is dat belangrijk?

Dat kan je pas weten als je het materiaal gedraaid hebt. Je moet zo voelen van, wat is er hier van beeld te maken en welke stijl wil ik? Wil ik een statische stijl of niet? En soms doe je dat echt voorbereid. Ik ben bij een dominee geweest in een kerk, en hij kwam buiten. Ik had daar borden zien staan war ze een rechter wilden wegstemmen omdat hij pro-abortus was. Ik heb toen tegen mijn cameraman gezegd: ik ga dat bord pakken, en hij staat daar nu te babbelen, ik ga met dat bord voor zijn neus staan. En dan kom ik op die manier nog eens in beeld in mijn verhaal, dan ben ik de gids in het verhaal.

En ik zeg: “Wat is dat hier?”
–Ja… we zijn tegen die rechter, he.
–Hoe, tegen die rechter? Iedereen mag toch denken wat hij wil? Dat is toch het Eerste Amendement, Freedom of Speech, je bent daar toch voor? En nu zeg je dat die mens weggestemd moet worden?
We’re against it! It’s in the Bible, it’s in the Book!” zegt hij.

Op die manier was dat weer provocatief, het was wel voorbereid. Ik heb daar niet gestaan met een bord, dat was mij niet aangeleverd. Ik zag dat staan en dan denk je automatisch, dat gaat een leuke scène, mogelijkerwijs, opleveren. Je moet in scènes denken, storytelling is scènes. En in het Journaal gebeurt dat veel te weinig, dat er in scènes wordt gedacht. Er wordt in klassieke quote-beeld-quote gedacht. Storytelling heeft dus nog een lange weg te gaan in het Journaal, namelijk van scènes. Onlangs was er een heel goede interventie van een reporter bij het bezoek van de Chinese president. Katty Allaert stond daar vox pops op te nemen, maar een soort pregesprek dat al aan het draaien was. En dat geprek ging met de Chinezen, zo van: “Als hij straks voorbij komt gaan we wel zwaaien.”
En de reporter zegt: “Hij is al voorbij. –Echt?! Oooh!”
En ze heeft dat er ingestoken. Dat zegt zoveel meer dan dat ze dat daar zeggen; “Ik ben blij dat hij hier is.”
Dat is zoveel mooier, want dat zegt alles over de verwachting die die mensen koesteren. Dat is TV.

En zoveel verrassender.

Het is verrassend ja. Persconferenties zijn vaak oersaai. Laat je camera draaien voor dat spel begint. Ik herinner mij ooit dat ik iets moest maken over Guy Spitaels toen hij nog leefde en ik kwam toe op de persconferentie. Ik ging zitten, en zijn bijnaam was Dieu. Hij keek zo rond. Gebruik dat, gebruik dat! “Dieu is aan het wachten op zijn discipelen. De persconferentie moest nog beginnen. Dieu keek rond.”
Dat is je beeld gebruiken.
Niet van, “Ja maar, ik moet dat niet hebben, waar is die quote van dat hij in de persconferentie zegt dat de begroting in evenwicht is?”
Dat is openstaan voor die meta-informatie, dat is nog zo’n aspect dat zo belangrijk is aan storytelling, dat is meta-informatie. Namelijk datgene dat zoveel meer zegt over je onderwerp dan het effectieve, afgebakende ding waarbinnen je onderwerp zich bevindt, namelijk daar aan de rand, de toeschouwers, het bos. We zijn in het bos, maar daar aan de rand van het bos staat prikkeldraad, ik wil dat ook zien, ik wil die prikkeldraad zien.

Joris Luyendijk die zegt: “Als een camerman in Israel beeld maakt van het stenengooien van jongeren naar Israelische ordediensten, zet die camera misschien eens wat achteruit.” En, tiens, ze staan daar shoarma te verkopen en daar ook. En eigenlijk is dat big business. Al die cameramannen die daar komen om naar de stenengooiende Palestijnse jongeren te kijken. Maar ondertussen verkopen die gasten durum en falafel en weet ik wat nog allemaal. Een reporter die een live stond te doen, een live is helemaal de nieuwswereld he, dat is de bubbel van de nieuwswereld, die reporter stond daar doodzenuwachtig in Kopenhagen tijdens de eerste klimaatconferentie, daarna vraag ik van, “Hoe komt het dat je zo gespannen was? –Man, je had dat moeten zien! Er stonden hier vijftig mensen naast elkaar lives te doen!” Ik zeg, “Allee man, zeg aan je cameraman dat hij uitzoomt, laat dat eens zien.” Zeg gewoon, “Dit is een belangrijke klimaatconferentie. Kijk wie er allemaal naast mij staat, de hele wereld staat hier. Kennelijk is het belangrijk. Of het iets oplevert, is niet duidelijk. Maar kijk eens naast mij aan de andere kant, de hele wereld staat hier nog eens. Allemaal om te berichten over de klimaatconferentie.” Dat zou verrassend geweest zijn, zo veelzeggend, maar het is niet gebeurd. Want, “ik ben journalist, ik doe een live voor televisie en ik sta hier, de andere, daar houd ik even geen rekening mee.”
Maar heel die context, je hebt je plaatje zo verengt dat je verhaal eigenlijk niet correct verteld hebt. Dat is eigenlijk mijn hele punt. Journalistiek moet eerlijker zijn en een minder vals beeld van de wereld geven. Je geeft maar een juist beeld van de wereld als je het hele plaatje geeft. Camerstandpunten zijn sowieso subjectief, want ze maken een kader. Maar je kader eens groter, en maak het dan weer kleiner, om te tonen van, “dit is nu een kader, maar eigenlijk is dat het hele plaatje.” Ik ga het nog eens zeggen, het is eigenlijk allemaal simpel he [lacht].

Het klinkt heel eenvoudig, maar het vraagt veel oefening, tijd en geduld.

Ik geef je nog een voorbeeld waar je storytelling kan toepassen en oog hebben voor die quotes. Schrijf zoveel mogelijk je quotes op, wat je gehoord hebt. Soms kan je een interview hebben waarvan je denkt, het was niet zo veel soeps. Maar als je het apart beluistert en nog eens herbeluistert, zit er soms een zinnetje in waar je als een paukenslag mee kan beginnen. Ik had zoiets, het ging over jongeren die steeds meer beugels droegen. En er zat een quote in van een jongeren die zei: “Op school noemen ze mij de spoorweg [lacht].” Dat was een nieuwsitem, ik werkte toen voor het Journaal als reporter. Dat begint: “Steeds meer jongeren dragen een beugel, een verslag van…” En dat begon met: [alsof hij zelf beugel heeft] “Op school noemen ze mij de spoorweg.[lacht].” Direct, bam, je zit er in. Stel dat je klassiek begint, “Inderdaad, steeds meer jongeren dragen een beugel, het afgelopen jaar 50% meer dan het jaar ervoor, zegt Test Aankoop.” Dan Test Aankoop aan het woord. Dan het volgende, plakbeeld van beugels. Structuur is superbelangrijk. Het gaat over de constructie van je verhaal. Ik ga het nog eens herhalen. Een roman begint met een sterk stuk, met iets dat je uitnodigt om het verhaal binnen te stappen. Het is een deur die openstaat, kom binnen, kom binnen. En veel mensen beheersen dat nog altijd niet. Namelijk, de verlokkingstechniek, je moet je publiek binnenlokken. En veel mensen verwarren dat en denken dat het plat en inhoudsloos moet. Maar neen! Je kan pas inhoud verkopen, en verkopen dat klinkt commercieel, maar je kan pas je inhoud aantrekkelijk en impactvol kunnen maken door de mensen op een inhoudsvolle maar impactvolle manier binnen te lokken. Ik weet dat ik nu lastig klink, maar veel mensen zullen zeggen, “Ik ben wel een journalist, ik moet wel informatie geven.” Ja! Maar je bent een tv-journalist! Je moet informatie geven op een manier die uitnodigt om heel dat stuk te bekijken. Dat is net zo met een krantenartikel, als dat saai is lees je niet verder. Maar het is wel de bedoeling dat je het uitleest, dat je het helemaal tot jouw neemt.

De kop is dikwijls uitnodigend.

Het is je chapeau. Moet je daar valsheden in steken? Neen, maar je moet er wel de juiste dingen in steken. Onlangs was een een stuk van een reporter over de deserteurs in de Eerste Wereldoorlog en terechtgesteld zijn. Ze hebben hen in een anoniem graf gegooid. De reporter ging naar Frankrijk. Hij had zo’n graf gevonden en had de kleindochter gevonden van die terechtgestelde deserteur. Het mangelde aan de structuur. Het is dan rechtgezet voor het volgende bulletin. In de oorspronkelijke structuur was het: “Hier in Frankrijk,” en je ziet een heemkundige afkomen, “is Gerard Huppeldepup bezig met historisch onderzoek naar deserteurs in de Eerste Wereldoorlog en onlangs stootte hij op het graf van een man.” En dan heemkundige, dan een halve minuut later: “Vele honderden kilometers verder woont huppeldepup in Nantes, kleindochter van. En ze vertelt over…” Quote en dan terug naar het graf met die heemkundige en een statement. De reporter: “Ik ben content van mijn stuk. Ik heb goede ingrediënten.” Ik zeg, “Ja, maar het niet omdat je bloem en suiker hebt dat je al een taart hebt. Kap dat samen en je krijgt een brij.” Ongelooflijk, he. Je moet dat in de juiste volgorde doen. Ik zeg, “Begin toch met die vrouw, die zegt, ‘Ik heb zelfs geen foto’s meer van mijn grootvader. Mijn grootvader werd beschouwd als deserteur, il était une honte.’” “Robert, anoniem, maar hij is nu weer een persoon want hij is teruggevonden in een graf honderden kilometers noordwaarts, waar een heemkundige hem heeft ondekt.” En dan kan je de heemkundige geven. Hetzelfde materiaal. Niets anders gedraaid, gewoon andere volgorde. Het gaat over de impact. Dat deed mij nu iets, die tweede versie. Die eerste versie raakte m’n koude kleren niet, alsof het allemaal en passant was, zoals iemand zijn levensverhaal vertelt en de essentie zit in het midden. “Ah en toen heeft mijn vader zelfmoord gepleegd en, maar ja, kijk. –Wat zeg je?!” Je moet niet al je sterkste materiaal in het begin steken maar je moet wel met iets beginnen waardoor je de kijker meteen vast hebt, en dat hij blijft. “Ik wil dat je blijft omdat ik echt iets te vertellen heb.” Het is zo simpel allemaal [lacht].

Kies je materiaal in functie van je verhaal? En hoe is dat bij ‘Het Journaal’?

Eigenlijk wel, maar met ‘Het Journaal, natuurlijk, wordt daar dat veel minder als evident beschouwd omdat je dikwijls ook aan parachutejournalistiek doet. Namelijk een gebeurt iets en je moet er naartoe. Je gaat niet zeggen, we gaan nu dit of dat middel inschakelen, maar om speciale verhalen te maken moet je dat zeker te doen. Een voorbeeld, Machteld [Libert], we hebben daar op voorhand over nagedacht, hoe gaan we dat doen? Ze spreekt ook in de camera, we hebben daar een regisseur opgezet omdat we dat belangrijk vonden. Het wordt op een andere manier verteld, dus ook ja, in het journaal, maar minder systematisch. Ik ben voor een hybride vorm he, het Journaal moet niet helemaal enkel en alleen een magazine worden, het moet ook vertellen over de klassieke dingen, what’s happened today in the world. Dat is zo.
Daar heb je niet altijd speciaal materiaal voor nodig, maar mocht het aan mij liggen, dan zou ik durven zelf het Journaal een keer helemaal in progressieve stijl opnemen. Omdat ik zelf vind, maar dat is mijn gevoel, dat iets dat progressief gedraaid is, of zo in een montage gezet, je meer in het verhaal brengt. Maar veel mensen hebben daar een afkeer van, want het Journaal moet met clean beeld zijn, met nieuwsbeeld. Zoals het in Amerika vaak heel lelijk is, vind ik. Ja, je moet rekening houden met materiaal, zeker als je een verhaal hebt, en ruimte voor een verhaal hebt, dan moet je rekening houden met bijvoorbeeld prikken, handmicrofoon of niet. En met de grootte van een camera ook. Buitenlandploegen doen vaak ook al een klein cameraatje mee omdat ze weten dat ze in omstandigheden gaan komen waar dat veel handiger zal zijn en minder invasief.

En een Go Pro?

Ja, een Go Pro ook. Drones worden nu en dan ook al eens gebruikt, voor betogingen. Mooi. Daar zijn nog veel juridische haken aan. In principe mag de VRT het alleen gebruiken als het ons aangeboden wordt, we mogen het niet bestellen. Maar Go Pro, ja, in Iowa [‘Stemmen uit Iowa’] heb ik dat ook gebruikt. Als je iets wil doen met het landschap en je wil tonen dat het heel stoffige wegen zijn, wel, met je Go Pro kan je er mooie dingen mee doen, en dat is nu niet zo’n duur materiaal, he.

Bambuser_new_app_iOS_0912_cropped

© Bambuser

Je kan tegenwoordig ook live interventies doen met je iPhone.

Ik heb een app gezien, een Zweedse app denk ik, Bambuser. Ze hebben dat toegepast bij SVT, bij Aftonbladet, een Zweedse avondkrant. Dat is een app die op maat gemaakt wordt van een nieuwsorganisatie, dus Bambuzer creëert dan nieuws, een beeldapp. Mensen schrijven zich daarop in en kunnen daarmee werken. Dus je hebt User Generated Content die gecontroleerd wordt, je kent de identiteit van de mensen, je hoeft daar ook niet voor te betalen voor die mensen want die zijn zogezegd freelance correspondent. Stel, er gebeurt een ontploffing op de Korenmarkt, in Brussel horen ze dat, kijken op Bambuzer of er iemand is van gent, ze kunnen die mensen contacteren, zij gaan daar naartoe. Je kan van in de regie, live, die Bambuzerbron zeggen: “Ga eens meer naar links.” Je kan regieaanwijzingen geven in een soort chat box. Dat kan je live in je programma brengen.

Er is de laatste jaren een verschuiving gebeurd, nieuwe manieren van online nieuws brengen, interactieve documentaires bijvoorbeeld, zijn jullie daar ook mee bezig?

Wel, er zijn twee bewegingen bezig. Sneller zijn. Wat gebeurt, veel sneller het beeld de wereld in gooien, en de verdieping.
Voor mij is de belangrijkste prioriteit, vanuit het Journaal bekeken, de verdieping en de vernieuwing in de vorm, waardoor mensen zeggen: “Het Journaal, ik wil dat niet missen, ik kan dat niet missen! Ik krijg altijd verhalen en een blik op de wereld van dingen waar ik nog niet van gehoord heb.”

Een journaal, doordat de wereld zo digitaal en zo snel is, kan meer afstand nemen de kleine dingetjes die gebeuren die je niet tegen zeven uur nog eens moet herhalen. Want mensen zijn geen uilskuikens.
Ze hebben ‘s morgens al veel gelezen op internet, ze hebben al naar de radio geluisterd, ze hebben al een krant gelezen, dus moet je iets extra bieden. Daar moeten wij extra op inzetten, die beweging moeten wij maken, daarom wil ik inzetten op die basics. Leer je verhaal goed vertellen, zorg dat die meerwaarde er is. Dat je een langer, beter uitgewerkt verhaal kan maken. Dat interactieve wil ik een beetje aan mij laten voorbijgaan in het Journaal. En wat vind de kijker daarvan? Dat vind ik eigenlijk minder belangrijk nu. Ik wil nu dat we eerst teruggaan naar de basis, een goed verhaal leren vertellen. Boeken zijn nog altijd populair, een goed verhaal blijft een goed verhaal en zal altijd een goed verhaal blijven. Dat vind ik het allerbelangrijkste.

Maar ik vind wel dat we technieken moeten gebruiken, nieuwe storytellingtechnieken. Storify, bijvoorbeeld, vind ik heel interessant. Dat is namelijk een verhaal vertellen. Bijvoorbeeld: “Het begin vanmorgen met een ministerraad die heel woelig verliep.” Dan daar beeld van. “De journalisten waren ook heel zenuwachtig.” Beeldje van de meute die daar staat. “Even later verscheen op internet een filmpje dat de gemoederen helemaal deed uitbarsten.” En dan een YouTube-clipje. Dat is Storify, verschillende bronnen samenbrengen in één verhaal, waardoor je een soort film van de dag maakt. Het vraagt inspanning, je moet veel bronnen raadplegen, veel verschillende dingen. Dat kan ook een stukje krantenartikel zijn, dat is goed gedocumenteerd, gestorifytete-verhaal. Stukjes klank, stukjes beeld, van welke kwaliteit ook. Mensen maken daar geen punt van. Ze gaan niet altijd bij mij komen en zeggen: “Met welke camera is dat gedraaid? En dat licht en dit en dat.” Soms primeert de inhoud, als het maar een sterk verhaal is.

Dus, moet de VRT daar op inzetten? VRT verandert al heel veel, het Live Center is er gekomen, mensen moeten op een heel andere manier werken, de app komt eraan, er is vernieuwing in manier van werken, nieuwe technieken, nieuwe manieren van doorsturen. Ik besef soms ook wat mensen allemaal te verduren hebben. Vandaar dat een deel van de verandering voor mij een sociaal aspect heeft. Ik wil niet dat mensen aan een burnout leiden, ik wil niet dan mensen overdadig bevraagd worden, ik vind ook dat ze genoeg vrije tijd moeten hebben, precies om betere verhalen te krijgen. Als ze komen werken wil ik dat ze blij zijn dat ze gaan werken. “Moet je nu eens wat horen, ik heb daar wat gehoord op mijn vakantie.” Ik wil niet naar een redactie waar er almaar meer en harder gewerkt moet worden, waardoor ze geen goesting meer hebben. Goesting is alles. Goesting en drive. En je moet ook niet veranderen om te veranderen. Nogmaals, wat ik wil is gewoon dat goede verhaal brengen, dat is de basis van alles. Als dat als verandering wordt aanzien, dan wil ik veranderen, maar eigenlijk is dat gewoon… Schrijf mij een goed boek, maar me een goed filmpje, iets dat ik blijf onthouden, daar draait het om. That’s it [lacht].

That’s it.

That’s the way it is, zei Walter Cronkite altijd.

Be the first to comment on "VRT-hoofdredacteur Björn Soenens: Journalistiek moet de miserie overstijgen"

Leave a comment

Your email address will not be published.


*


Twitter Auto Publish Powered By : XYZScripts.com